De oorzaken van theatrale persoonlijkheidsproblematiek worden doorgaans gezocht deels in aanleg en deels in vroege ervaringen. Hierbij geldt (zoals bij alle verklaringsmodellen) dat deze componenten elkaar wederzijds kunnen beinvloeden en versterken. Bij aanlegfactoren wordt gedacht aan een aangeboren overgevoeligheid voor emotionele prikkels, dit blijkt onder andere uit familie-onderzoek. Deze overgevoeligheid kan neurologische of biochemische oorzaken hebben. Kinderen die deze overgevoeligheid hebben zullen hun best doen om gevarieerde en stimulerende respons van anderen te krijgen. Een gevolg hiervan is dat deze kinderen erg gericht zijn op de wereld buiten hen, meer dan op hun binnenwereld. In de vroege geschiedenis van mensen met een TPS zie je vaak dat er veel verzorgers waren en dat de zorg niet consistent was. Zodat de kinderen bevestigd werden in hun gedrag, namelijk zorgen dat je een positieve emotionele respons krijgt van een ander. Vaak was de emotionele respons echter 'onder conditie' , dat wil zeggen ze moesten zich wel op een bepaalde manier gedragen. Drie reactiepatronen blijken hierbij te leiden tot het bekrachtigen van zogenaamd 'theatraal gedrag', te weten:
minimale negatieve bevestiging (ouders bekritiseren zelden)
positieve bekrachtiging op gedrag dat ouders graag willen zien
onregelmatigheid in de positieve aandacht (dus verwaarlozing, zelfs als het kind zich 'helemaal juist' gedraagt).
Zoals je merkt uit dit verhaal speelt in de theorievorming over het ontstaan van tps vooral aanleg en hele vroege ervaringen een rol. Pesten speelt veel later een rol in de ontwikkeling en zie ik niet als een mogelijke oorzaak van TPS.
Natuurlijk heeft pesten veel invloed op een mensenleven. Studies hierover ken ik niet, wellicht zijn die in de wereld van de pedagogiek en onderwijs wel te vinden. NB 2/2002