De meervoudige persoonlijkheid heeft een nieuwe officiële benaming gekregen: de dissociatieve identiteitsstoornis (DIS). Deze stoornis valt buiten het bestek van de persoonlijkheidsstoornissen en is officieel een as-I of symptoomstoornis.Toch kan het goed zijn dat bij iemand met een DIS ook sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Wij zijn van plan binnenkort een deskundige te vragen om een informatieve tekst over trauma, dissociatie en persoonlijkheidsstoornissen te schrijven. Dan wordt mogelijk ook aandacht besteed aan DIS.
Vooralsnog kunnen wij u enige algemene informatie geven en u doorverwijzen naar een site met goede informatie over DIS.
Dit zijn de kenmerken van DIS in het meest gebruikte psychiatrisch classificatiesysteem, de DSM-IV:
DSM IV criteria voor de dissociatieve identiteitsstoornis
A. De aanwezigheid van twee of meer scherp van elkaar te onderscheiden persoonlijkheidstoestanden of identiteiten of (elk met een eigen betrekkelijk langdurig patroon van het waarnemen van, het omgaan met en het denken over de omgeving en zichzelf)
B. Ten minste twee van deze persoonlijkheidstoestanden of identiteiten bepalen geregeld het gedrag van betrokkene
C. Onvermogen zich belangrijke persoonlijke gegevens te herinneren dat te uitgebreid is om verklaard te kunnen worden door gewone vergeetachtigheid
D. De stoornis is niet het gevolg van is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld black-outs of chaotisch gedrag tijdens een alcoholintoxicatie) of een somatische aandoening (bijvoorbeeld complexe partiële insulten).
Empty Memories is een Nederlandstalige site met informatie over dissociatie, trauma en DIS. FK 1/2002
Chronische derealisatie betekent 'je vervreemd voelen van je omgeving'. Het komt vaak voor samen met depersonalisatie, hetgeen betekent 'je vervreemd voelen van je zelf'. Beide begrippen worden soms ook wel door elkaar gebruikt, wat natuurlijk wel verwarrend is. Beiden zijn zogenaamde dissociatieve symptomen. Dissociatie is het ontkoppelen van verschillende ervarings- of bewustzijnsnivo's. Ofwel: een splitsing in het denken, voelen en handelen. De oorzaken van derealisatie en/of depersonalisatie zijn heel divers.
Zo kan het een gevolg zijn van lichamelijke ziekten of toestanden zoals: bij alcohol of drugsgebruik, hyperventilatie, epilepsie, slaapgebrek en hersenaandoeningen. Verder kan het een symptoom zijn bij een aantal psychiatrische ziekten zoals: depressie, schizofrenie of andere psychotische stoornissen, angststoornissen, dissociatieve stoornissen of
persoonlijkheidsstoornissen (meestal borderline persoonlijkheidsstoornis).
Als je naast de klachten van derealisatie en depersonalisatie ook psychotisch bent (dan is de toetsing aan de realiteit verstoord) dan kunnen antipsychotische medicijnen helpen. Als er vooral een depressie of een angststoornis is dan kunnen antidepressieve medicijnen helpen.
Als het meer in het kader van persoonlijkheidsproblematiek of een dissociatieve stoornis is dan zijn er geen medicijnen die heel specifiek hierop helpen. Dissociëren is een manier van mensen om zich aan te passen aan een ervaring die bedreigend voor ze is. Het komt met name voor bij mensen die ernstige trauma's hebben meegemaakt of bij mensen die zo angstig zijn dat vele dagelijkse ervaringen al bedreigend zijn. Het is een manier van wegvluchten van de werkelijkheid. Bij de borderline persoonlijkheidsstoornis komt het vaak voor in de vorm van leegte en vervreemding en in de vorm van 'wegrakingen'. Tips hoe je hiermee om kunt gaan kun je vinden in het 'borderline hulpboek' van Jaap Spaans en Erwin van Meekeren (pagina 200 - 209). In het kort komt het hierop neer: leer herkennen wanneer het gebeurt, probeer je te concentreren op andere dingen waardoor je voorkomt dat je je vervreemd voelt. Door klachten te registreren, te bespreken en te zoeken naar
alternatieven die voor jou helpen kun je leren grip te krijgen op deze akelige gevoelens. NB 12/2001.
Bronnen:
N.J.L. Buitelaar (1994). Depersonalisatie, een gedissocieerd begrip? Artikel in Intern Vaktijdschrift voor psychiatrie van PC de Wellen, 3 no 3.
Spaans, J. en Meekeren, E. van (2000). Borderline hulpboek, Zelf leren omgaan met verschijnselen als impulsiviteit, heftige emoties en conflicten. Boom.
In de hersenen zijn miljarden zenuwcellen die in groepen bij elkaar liggen en per groepje een eigen functie hebben. De verschillende groepen staan met elkaar in verbinding door de uitlopers van de zenuwcellen. Via deze uitlopers wordt informatie overgedragen. Dat gebeurt doordat
de zenuwcel een chemische stof uitscheidt, de neurotransmittor genoemd, die zich bindt aan een bindingsplaats, de receptor genoemd, op de volgende zenuwcel. Hierdoor wordt deze zenuwcel ook geprikkeld en is de 'informatie
overgedragen'. Wanneer de neurotransmittor zijn werk heeft gedaan raakt hij weer los
van de receptor en wordt afgebroken of wordt weer opnieuw door de eerste zenuwcel opgenomen (dit noemen we heropname). Bij een volgende zenuwprikkeling wordt deze dan opnieuw uitgescheiden om zich opnieuw aan
de receptor te binden en de volgende zenuwcel te prikkelen, etc. De ruimte
tussen de eerste en tweede zenuwcel noemen we de synaps. De receptor van de eerste zenuwcel noemen we de 'pre-synaptische receptor', de receptor van de tweede zenuwcel noemen we de 'post-synaptische zenuwcel'.
Er zijn verschillende neurotransmittors bekend, een paar bekende zijn: dopamine, noradrenaline, serotononine en gamma-aminoboterzuur.
Verstoringen in de binding van deze neurotransmittors met de receptor kunnen leiden tot verschillende psychiatrische stoornissen. Dat wil zeggen dat er niet altijd een tekort is van de neurotransmittors maar dat er ook een teveel of te weinig aan receptoren kan zijn waardoor er een
relatief tekort is aan neurotransmittors.
Bij depressieve klachten en bij de stemmingswisselingen zoals deze
voorkomen bij borderline heeft men het idee dat er een verstoring is in de balans tussen de pre- en postsynaptische receptoren en de serotonine-overdracht.
Wat de SSRI's (selectieve serotonine heropname remmers) onder andere doen is er
voor zorgen dat de heropname van Serotonine wordt geremd zodat er meer Serotonine beschikbaar is in de synaps. Dit is een beetje een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid die nogal complex is.
Er is in ieder geval de praktische bevinding dat SSRI's de klachten kunnen verminderen.
Naast de SSRI's zijn er ook andere antidepressiva werkzaam bij stemmingswisselingen, zoals de MAO remmers en middelen als Lithium en Tegretol. Zie het hoofdstukje 'farmacotherapie' op deze site. NB 2/2002
Bron:
Voorlichtingsbrochure "psychofarmaca, de toepassing van medicijnen in de psychiatrie, door W.A. Nolen, uitgave van Lundbeck.