Persoonlijkheidsstoornissen Aanverwante problemen Vraagbaak Leestafel Links MM | StIP
Home > Vraagbaak > Overige PS

Alle vragen van de categorie Overige persoonlijkheidsstoornissen

Hoe kun je het beste omgaan met iemand met een antisociale PS?

Het is niet eenvoudig om daar een antwoord op te geven: de ene persoon met een ASPS is de andere niet. Sommigen kunnen zo wantrouwend zijn en/of agressief reageren, dat ze een bedreiging voor je veiligheid kunnen vormen. Anderen hebben geleerd zich behoorlijk te beheersen en zullen niet snel agressief worden. In het algemeen hebben mensen met een ASPS behoefte aan duidelijkheid. Let extra op je eigen grenzen, en bewaak deze goed. Zij hebben vaak moeite met het dragen van verantwoordelijkheid, er loopt altijd wel iets mis. Anderen willen dan nogal eens te hulp schieten en gaan 'redden'. Het is de vraag of mensen met een ASPS daar op de langere termijn bij gebaat zijn.
     Alcohol- en middelengebruik verergeren de kans op agressie of risicovol gedrag. Verder is 'gezond wantrouwen' in de omgang met iemand met een ASPS op zijn plaats. Als iemand zich onbedoeld in de nesten werkt, zal hij nogal eens leugens nodig hebben om dat verborgen te houden. Tenslotte, en dat geldt in feite voor de omgang met de meeste mensen: ga vooral af op wat iemand doet, en niet alleen op wat hij of zij zegt. FK 11/2001

Hoe ga je om met iemand met een theatrale persoonlijkheidsstoornis?

In zijn algemeenheid is de vraag hoe ga je om met een theatrale persoonlijkheid niet eenvoudig te beantwoorden omdat het gaat om allerlei verschillende gedragingen. Wel zijn een aantal punten belangrijk:
- Iemand met een theatrale persoonlijkheid heeft de neiging eigen ervaringen erg breed uit te meten, niet om de ander persoonlijk dwars te zitten maar vanuit eigen rigide gedachtenpatronen waarbij gedacht wordt dat aandacht pas verkregen wordt als men iets bijzonders vertelt, meemaakt etc.
- Iemand met een theatrale persoonlijkheid heeft de sterke behoefte steeds in het middelpunt van de aandacht te staan en voelt zich erg ongemakkelijk wanneer dat niet het geval is. Het zich verplaatsen in de aandachtsbehoefte van de ander is moeilijk.
Het is belangrijk in de omgang met een theatraal persoon niet zozeer bestraffend om te gaan met bovenbeschreven gedrag maar wel duidelijk je eigen grenzen aan te geven. Bied zonodig extra uitleg: "Zonet heb jij verteld over je ervaringen, nu wil ik graag iets horen van een ander Het is goed om de tijd te verdelen." of "Nu wil ik graag iets vertellen aan jou.". Het negeren van een theatraal persoon werkt averechts, beter is het eerst aandacht te geven en daarna ruimte te maken om de aandacht andere richtingen op te laten gaan.
Als het gaat om lichamelijke klachten is het belangrijk de theatrale persoon een (kort) moment serieus de aandacht te geven, om daarna duidelijk aan te geven dat het onderwerp is afgerond. Zo wordt wel afgesproken dat een theatraal persoon elke week een korte afspraak heeft met de huisarts, waarbij bij tussentijdse telefoontjes wordt verwezen naar dat wekelijks terugkerende moment. De kunst is de aandachtbehoefte deels te gratificeren en deels te begrenzen. Op deze manier doe je zowel de ander als jezelf recht. Duidelijk is echter wel dat het bepaald niet altijd eenvoudig is. SP 12/2001

Hoe kun je iemand met een paranoïde persoonlijkheidsstoornis tot het zoeken en accepteren van hulp bewegen?

De paradox die je ons voorlegt is "hoe kun je het vertrouwen winnen van wantrouwende/achterdochtige mensen om in vertrouwen met ze te delen dat ze wantrouwend zijn"? Ogenschijnlijk een onbegonnen taak. Als het je lukt om een bondgenootschap met hem/haar aan te gaan ben je een stap verder, als verwante of als therapeut. De clou lijkt hem te zitten in de "metacommunicatie", het samen onderkennen dat wantrouwen een terugkerend thema is in relaties, hetgeen de betreffende persoon in de weg staat om gelijkwaardige en wederkerige relaties vorm te geven (op het gebied van vriendschappen, intimiteit, hobbies, opleiding of werk). Het besef dat dit een leuker leven in de weg staat kan een drijfveer worden om er daadwerkelijk wat voor over te hebben er wat aan te veranderen (bijvoorbeeld middels psychotherapie). Een dergelijk inzicht kan dan de basis vormen om samen te onderzoeken tot op welke hoogte het wantrouwen gerechtvaardigd is, op welke momenten passend en welke momenten overmatig. Maar inzicht alleen is niet voldoende. Als de betreffende persoon kan gaan ervaren dat vertrouwen binnen de relatie haalbaar is en prettig, dan zijn we een hele stap verder! We noemen dat een "corrigerende emotionele ervaring" in de psychotherapie.
Helaas is het bovenstaande niet voor alle wantrouwende/achterdochtige mensen weggelegd, ook niet met optimale professionele psychotherapeutische hulp. Overigens kan bij overmatige achterdocht, paranoïdie, soms medicatie een steuntje in de rug geven. Het gaat dan m.n om antipsychotica (in relatief lage doseringen). Goede diagnostiek door een psychiater is dan een voorwaarde alvorens een behandelplan op te stellen! TI 1/2002

Hoe moet ik omgaan met iemand met een obsessief-compulsieve PS ? En is hier vanaf te komen met therapie ? Zo ja hoelang gaat zoiets gemiddeld duren?

Het omgaan met een persoon met een obsessief compulsieve persoonlijkheid vraagt enerzijds begrip voor de voorkeur aan houvast, regels en orde die de persoon heeft vanuit zijn eigen persoonlijke behoefte; niet om een ander dwars te zitten. Anderzijds vraagt het om het letten op eigen grenzen. De behoefte aan orde en netheid kan zo groot zijn dat het de situatie voor een ander benauwd en onleefbaar maakt. Het samen overleggen hoe aan elkaars behoeften van orde versus ruimte tegemoet kan worden gekomen,is van groot belang. De persoon met de obsessief compulsieve persoonlijkheid wint ook ruimte voor zichzelf wanneer hij/zij leert te onderhandelen en keuzes te maken ten aanzien van eigen handelen. In therapie zal het voortdurend gaan over dit laatste. Wel moet bedacht worden dat iemand zichzelf niet geheel kan veranderen, niet voor niets zijn deze gedragingen onderdeel geworden van de persoonlijkheid. Het gaat dus ook over het accepteren van deze persoonlijkheidstrekken en het vervolgens daar zo goed mogelijk mee omgaan. Een therapie voor persoonlijkheidsproblematiek neemt meer tijd in beslag dan een therapie voor een enkelvoudige klacht, afhankelijk van de therapiekeuze zal rekening gehouden moeten worden met een therapieduur van een half jaar tot enkele jaren.
SP 1/2002

Kun je als 37-jarige van een persoonlijkheidsstoornis NAO met ontwijkende en obsessief-compulsieve trekken afkomen? En wat is dan de beste therapie aanpak?

Voor de behandeling van een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven met ontwijkende en obsessief-compulsieve trekken wordt een persoon doorgaans via de huisarts aangemeld bij de RIAGG. Aldaar wordt tijdens de intake bekeken of poliklinische of (dag)klinische behandeling het meest in aanmerking komt. Wordt besloten tot doorverwijzing naar (dag)klinische behandeling dan volgt opnieuw een intake in de desbetreffende instelling. In vrijwel elke regio bestaan GGZ-instellingen met een gespecialiseerd aanbod voor de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen. Een therapie voor persoonlijkheidsproblematiek neemt meer tijd in beslag dan een therapie voor een enkelvoudige klacht, afhankelijk van de therapiekeuze zal rekening gehouden moeten worden met een therapieduur van een half jaar tot enkele jaren.
Het kan echter ook zijn dat u reeds langdurende behandeling hebt doorlopen. In dat geval is het, hoe moeilijk ook, goed te bedenken dat iemand zichzelf niet geheel kan veranderen. Niet voor niets zijn bepaalde gedragingen onderdeel geworden van de persoonlijkheid. Wanneer op het gebied van behandeling voldoende is geprobeerd maar de moeilijkheden blijven bestaan, is het belangrijk het accent te verschuiven van veranderen, naar accepteren en leren omgaan met. Het dient in behandeling of in begeleiding dan te gaan over het accepteren van en leren omgaan met de moeilijke persoonlijkheidstrekken. Deze invalshoek is een heel belangrijke en kan de kwaliteit van leven sterk verbeteren zonder dat de klachten verdwijnen. Immers acceptatie van en leren omgaan met klachten doet lijden verminderen en geeft de mogelijkheid het eigen leven anders in te richten, rekening houdend met de eigen mogelijkheden èn beperkingen. Vaak wordt gezien dat wanneer deze fase doorlopen kan worden, mensen beter in staat zijn met zichzelf en anderen om te gaan. SP 2/2002

Kan pesten een oorzaak zijn van een theatrale persoonlijkheidsproblematiek?

De oorzaken van theatrale persoonlijkheidsproblematiek worden doorgaans gezocht deels in aanleg en deels in vroege ervaringen. Hierbij geldt (zoals bij alle verklaringsmodellen) dat deze componenten elkaar wederzijds kunnen beinvloeden en versterken. Bij aanlegfactoren wordt gedacht aan een aangeboren overgevoeligheid voor emotionele prikkels, dit blijkt onder andere uit familie-onderzoek. Deze overgevoeligheid kan neurologische of biochemische oorzaken hebben. Kinderen die deze overgevoeligheid hebben zullen hun best doen om gevarieerde en stimulerende respons van anderen te krijgen. Een gevolg hiervan is dat deze kinderen erg gericht zijn op de wereld buiten hen, meer dan op hun binnenwereld. In de vroege geschiedenis van mensen met een TPS zie je vaak dat er veel verzorgers waren en dat de zorg niet consistent was. Zodat de kinderen bevestigd werden in hun gedrag, namelijk zorgen dat je een positieve emotionele respons krijgt van een ander. Vaak was de emotionele respons echter 'onder conditie' , dat wil zeggen ze moesten zich wel op een bepaalde manier gedragen. Drie reactiepatronen blijken hierbij te leiden tot het bekrachtigen van zogenaamd 'theatraal gedrag', te weten:

minimale negatieve bevestiging (ouders bekritiseren zelden)

positieve bekrachtiging op gedrag dat ouders graag willen zien

onregelmatigheid in de positieve aandacht (dus verwaarlozing, zelfs als het kind zich 'helemaal juist' gedraagt).

Zoals je merkt uit dit verhaal speelt in de theorievorming over het ontstaan van tps vooral aanleg en hele vroege ervaringen een rol. Pesten speelt veel later een rol in de ontwikkeling en zie ik niet als een mogelijke oorzaak van TPS.
Natuurlijk heeft pesten veel invloed op een mensenleven. Studies hierover ken ik niet, wellicht zijn die in de wereld van de pedagogiek en onderwijs wel te vinden. NB 2/2002